Marum
Het dorp Marum is, met ruim 5700 inwoners, de grootste plaats in de
gemeente Marum. Het oostelijke deel van de plaats wordt aangeduid als
Marum-Kruisweg en het westelijk deel als Marum-West. Ten westen, respectievelijk
zuidwesten van de kern Marum liggen de Trimunt en De
Haar. Verder wordt het dorp
Marum omringd door de buurtschappen De
Hamrik, ’t Malijk,
Willemstad,
De
Linde, ’t Zethuis en
Balktil.
De gangbare naamsverklaring van Marum luidt als
volgt:
De naam bestaat uit twee delen, het eerste gedeelte
'mar' dat water betekent en het tweede gedeelte 'heim' wat plaats betekent,
waterplaats dus.
De Van Dale zegt hierover
het volgende:
Het woord maar betekent in
Groningen en Friesland een waterloop. Het verwante mars/marsch heeft de
betekenis van moeras. In het Middelnederlands betekent ‘maar, mare, maer, mere’
een poel, meer of afwatering. Het woord ‘mar’ kan dus verschillende
betekenissen hebben, maar deze hebben alle te maken met water.
Er is echter ook een Merum, een buurtschap in de gemeente
Loppersum, provincie Groningen. Het ligt iets ten noorden van Garrelsweer, en is alleen
vanaf dat dorp bereikbaar. Bij deze buurtschap lag een wierde die in de
negentiende eeuw geheel is
afgegraven. Het achtervoegsel ‘-um’ komt waarschijnlijk ook van heem
maar in dit geval komt het éérste deel van Mere,
een mansnaam. Die mogelijkheid bestaat dus ook nog…
Oud Marum
In zijn vroegste vorm bestond de nederzetting Marum
uit Marum-West. Liever spreek ik van Oud- Marum.
Oud-Marum lag/ligt als een kommavormig schiereiland aan het eind van de zandrug
Vredewold. Vanuit het noorden en westen was het omringd door laaggelegen, van
nature waterrijk, gebied, terwijl het vanuit zuidelijke richting werd ingesloten
door hoogveen.
In haar vroegste vorm, was Marum
hoogstwaarschijnlijk een esdorp. Dit dorpstype ontstond al vroeg in het
Karolingische tijdperk en ontwikkelde zich voortdurend. In sommige gevallen
zelfs tot aan het begin van de 20e eeuw.
Schema van een esdorp, toegepast op Oud-Marum
Esdorpen hebben een vast aantal kenmerken: de
groepering van de huizen, een beek, madelanden, het hoger gelegen bouwland, een
wal tussen de es en de woeste gronden, het (heide)veld en bos voor geriefhout.
We kijken of we deze kenmerken op het dorp Oud- Marum kunnen toepassen.
-
De boerderijen staan bij elkaar gegroepeerd met daartussen de brinken. De
(kerk)brink ligt aan de rand van het dorp. Oud-Marum bezat, behalve de
hoofdgroepering bij de kerk deze gespreide ligging, met de kerk aan de rand van
het dorp.
- Er
is een beekdal (het Oude Diep) voor het in gemeenschap (= in mienscheer) weiden
van vee. Langs de beek liggen de madelanden (de Valsche, de Lage) en het Malijk met het Oude Diepje.
- Er
zijn weilanden en een hoger gelegen es met onregelmatige blok- en
strokenverkaveling (zie Marumer Lage en De Holten)
- Daarachter
volgt de afscherming tegen het ‘woeste’ land. ‘De Houtwal’ vormde
inderdaad deze afscheiding
-
Achter de Houtwal bevindt zich de heide of ‘het veld’ (het Linster-
en Haarsterveld) voor schapenteelt en plagenwoning (vgl. ook de Fjeldewegh).
Hier
bevindt zich ook het holt: de hoge eiken- en lindenbossen voor geriefhout (De
Holten)

Het Esdorpenschema kent, evenals Marum, een aantal vaste kenmerken.
Marum,
esdorp?
Vergelijken we deze ‘definitie’ met de situatie te Marum dan valt te
constateren dat de aller-vroegste landbouwgrond, uit typisch onregelmatige,
blokvormige percelen bestaat, kenmerkend voor ontginningen uit de Merovingisch/Karolingische
tijd, 500 – 900 n.C. Deze oude perceelsvormen treffen we ook aan bij
Noordwijk, Niekerk, Lutjegast en Zuidhorn.

Opstrekkende
verkaveling
Het woongebied rondom oud Marum was vroeger beperkt.
Uitbreiding was alleen mogelijk langs de langgerekte zandrug van Vredewold.
Doordat deze verdere ontginningen plaatsvonden door ontvening, ontstonden
systematische kavels vanuit de zandruggen richting het veen. Dit wordt
opstrekkende verkaveling genoemd; langgerekte stroken, loodrecht op de
bewoningsas. Deze opstrekkende percelering dateert uit de 10e eeuw (900 – 1000
n. C.).
Turfwinning
Tot ongeveer honderd jaar geleden was turfwinning
een belangrijk middel van bestaan. In het jaar 1812 stonden in Marum 12
boerderijen, waarin zeventig gezinnen leefden van de gemengde landbouw,
extensieve schapenteelt en enige turfwinning. De grootschalige turfwinning werd
voor het merendeel door veenbazen uitgevoerd in opdracht van de toenmalige
machthebbers van Nienoord te Midwolde.