Publicaties
“De
Bult” van Marum

Inleiding
Dit
artikel behandelt het ontstaan en/of de betekenis van “De Bult van Marum”.
Langs
rivieren ontstonden vroeger vaak een donk of holm (namen voor een boven klei- of
veenvlakten uitstekende zandheuvel of rivierduin uit de laatste ijstijd). Door
latere verstuivingen ontstonden stuifduinen. Oeverwallen ontstonden aan kreken
en prielen door eb en vloed. Hoewel Marum vroeger al deze (in)werkingen kende in
het landschap, kan “De Bult” daar in
de huidige vorm niet door zijn ontstaan. Gesteld mag worden, dat “De
Bult” door haar steile en hoge vorm geen natuurlijk ontstane verhoging in het
landschap is, maar door mensenhanden moet zijn gemaakt.
Mijn
onderzoek naar wat “De Bult” kan zijn heeft zeer veel materiaal en
(voorlopig) een achttal alternatieven opgeleverd. Elk alternatief wordt hierna
beoordeeld op zijn of haar (on)mogelijkheid.
Bij
elk alternatief worden eerst vergelijkbare situaties in vooral het Noorden van
het land belicht. Vervolgens wordt deze gegevens geprojecteerd op de “De
Bult’ te Marum
Hierbij
moet ik mij wat omvang betreft beperken. Elk gegeven wordt daarom niet tot in
het kleinste detail doorgelicht. Op de site van onze Heemkundekring zal ik later
uitgebreider publiceren.
Het
tijdvak van mijn onderzoek bestrijkt de periode van +/- 3000 v.C. tót de
periode 1811 – 1832, wanneer de eerste kadastrale gegevens bekend raken,
omtrent het Kerkterrein en Omgeving van de Romaanse Kerk in Marum.
De
te beschrijven alternatieven in chronologische volgorde rond “De Bult zijn:
1.
Een Grafheuvel (3000v.C – 700n.C.)
5. Een Spieker (3000 v.C. –
ong. 1586 n.C.
2.
Een weide- vergaderplaats (Terpenperiode)
6. ‘Hege Wier’ of
Stinswier (1100 – ong.1600 n.C.)
3.
Een veenterp (700 – 1300 n.C.)
7. Een Duivenslagpoort (1672
– 1800)
4.
Kapelkerk + losse toren? (1150 – 1225 n.C.)
8. Een “Terrein ter
Vermaak’ (1811-1832 tot heden)·
1.
Een Grafheuvel
Eerst
een kort overzicht van de ontstaansgeschiedenis van Marum. Na de IJstijd, 10.000
v.C. trokken hier rendierjagers rond. Ze verbleven hier kort in jachtkampen. In
die tijd lag de zeespiegel meer dan 50 meter lager dan nu. Dit gebied was toen
een droog dal, een rietvlakte. Weer duizenden jaren later kwamen er mensen van
o.a. het Trechterbekervolk (hunebedden), die hier rond 3000 v.C. als eerste
boeren leefden. Toen het klimaat zachter en natter werd kwam er meer en meer
water in het dal te staan Toen de veengroei alles overwoekerde, trokken deze
bewoners zich weer terug naar de drogere gebieden van Friesland en Drenthe. Voor
lange tijd was Vredewold een onbegaanbaar en langgerekt veen- en moerasgebied.

uitgebreid
veen – en moerasgebied
Grafheuvels
treffen we dan ook voornamelijk aan op de hogere zandgronden van Groningen,
Friesland, Drenthe, Overijssel, enz. Ze zijn over het algemeen tussen de 5000 en
2000 jaar oud. Veel grafheuvels werden oorspronkelijk opgeworpen op markante
punten in een open landschap. In de loop der eeuwen zijn ze echter vaak
overwoekerd met bomen en struiken. Bovendien kunnen de wortels van die bomen
grote schade toebrengen. Ook komt het voor dat de vorm van de heuvels worden
vernield door dieren.
Grafheuvels
werden dus opgeworpen in de late Steentijd, de Bronstijd en de IJzertijd.
Het
zijn heuvels van plaggen en/of aarde, opgeworpen over één of meer lijk- of
crematiebijzettingen. Ze zijn meestal rond of iets ovaal, met een diameter van 5
tot 25 m en een hoogte van 0,5 tot 2,5 m.
Ze
liggen vaak in kleinere of grotere groepen bij elkaar.
Er
zijn grafheuvels bekend waarin zowel menselijke resten uit de Steentijd als
urnen uit de Bronstijd zijn gevonden. Ook werden grafheuvels uit de steentijd
regelmatig opgehoogd en vergroot in de bronstijd.
In
de Bronstijd bleven de mensen dus sommige doden (ongeveer 15% van de bevolking)
begraven in of onder oudere grafheuvels. Vaak hoogden ze oudere grafheuvels op.
De bronstijdheuvels waren daardoor groter en hoger dan die uit de Nieuwe
Steentijd. Ze werden weer gemaakt van opgestapelde heideplaggen. Ook werden ze
nu omringd door een greppel of rechtop geplaatste palen, of soms een aarden wal.
De
mensen werden op verschillende manieren begraven, zoals in houten kisten van
planken of uitgeholde boomstammen. Meestal werden er in één grafheuvel
meerdere mensen begraven, soms wel 20 of meer.

Grafheuvel
uit de late Bronstijd
Er
zijn vijf perioden te onderscheiden, waarin op verschillende manieren de doden
bijgezet werden en een grafheuvel aangelegd werd. In de Late Steentijd, Vroege
Bronstijd en IJzertijd werden er heuvels opgeworpen met vaak één of meer
cirkels van palen rond de voet van de heuvel. De grafheuvels uit de Midden- en
Late Bronstijd zijn iets anders opgebouwd en worden wel ringwalheuvels genoemd.
Dit type grafheuvel kenmerkt zich door een heuvel in het midden, met daaromheen een
greppel en omgeven door een wal
van aarde. In grafheuvels die in de Vroege Bronstijd zijn opgeworpen bevinden
zich soms weer keien.
De
perioden met erachter de manier van begraven/cremeren zijn:
1.
Late
Steentijd →
begraven in kuil, waar overheen de heuvel werd opgeworpen (2100 v.C.)
2.
Vroege bronstijd →
crematie, urnen met asresten in heuvel (2000 – 1800 v.C)
3.
Midden bronstijd →
dode in uitgeholde boom (boomkist) in heuvel (1600 – 1.000
v.C.)
4.
Late bronstijd →
crematie, urnen met asresten in heuvel (1100 – 800 v.C.)
5.
IJzertijd →
het lijk werd verbrand en de heuvel over deze plek opgeworpen
(in onze regio 750 - 12 v.C.)
Enkele
bekende grafheuvels in de regio zijn:
1.
in Friesland: Allardsoog : o.a. een viertal grafheuvels op het Mandeveld bij
Allardsoog
2.
in Groningen:
3.
in Drenthe ,verspreid over de gehele provincie, o.a.:

brandheuvels
(hier bij bij Oosterhesselen) uit de IJzertijd: de laatste grafheuvels!
Na
het eerste eigenlijke gebruik vonden veel grafheuvels in later eeuwen een nieuwe
bestemming. Het ingevoerde Christendom ( in Marum omstreeks 800 n.C.) verbood
immers het cremeren. Een aantal heuvels werden in gebruik genomen als galgenberg
of molenberg. In andere plaatsen werden ze gebruikt om het Paasvuur op aan te
leggen. Ook werden ze vaak in een kwaad daglicht gesteld als ‘witte wievenbult’.
Zo’n ‘witte wievenbult’ schijnt te hebben bestaan in de buurt van het
Steenhuis “De Linne” aan de Linsterlaan.
Dominees
hebben dergelijke bulten wel een laten slechten om eens en voor altijd af te
reken met deze verdachte bijgelovige spokerijen

Op
bovenstaande kaartjes is waar te nemen dat vondsten van grafheuvels vanuit het
zuidwesten tot in ons gebied doordringen. (Op de tweede kaart worden huisterpen
aangegeven; in onze regio zijn dit de genoemde veenterpen rond het Leekstermeer.)
Een
grafheuvel in Marum?
Kan
“De Bult” nu een grafheuvel zijn? De meest noordelijke in onze gemeente zijn
aangetroffen op het Haarsterveld, 3 in totaal. Bij het onderzoek naar de
Stinswierde- mogelijkheid is gebleken dat puin en aardewerkvondsten in “De
Bult” de aanwezigheid van een grafheuvel tegenspreken.
Qua
afmetingen zou er wél een mogelijkheid kúnnen bestaan. Alles op een rij
zettend is “De Bult” door
zijn
geïsoleerde noordelijke ligging én door aanwezigheid van puin en
aardewerkresten mijns inziens geen grafheuvel (om van een galgenberg e.d. maar
niet te spreken), wat niet wegneemt dat, ook gezien mijn volgend hoofdstuk,
archeologisch onderzoek in de diepste lagen tóch niet iets in deze richting zou
kúnnen aantonen…

Grafheuvel in
Evessen (Harz regio) Duitsland,
vergelijkbaar met Marum
2.
Een weide en vergaderplaats
In de Middeleeuwen pas begonnen nieuwe mensen vanaf het terpengebied richting
Zuidelijk Westerkwartier te trekken, de eersten rond 800n.c. Eerst alleen voor
hout en turfwinning, later permanent. Ze hebben zich waarschijnlijk eerst langs
de stroom de Oude Riet gevestigd, tussen Langewold en Vredewold. De eerste
kolonisten begonnen na het ontwateren van het veen voor turf, ook als boeren.
Men trok daarvoor steeds verder het veen in, dat ook weer werd ontwaterd. Zo
kwam de zandrug Vredewold van de Haar tot Oostwold steeds meer tevoorschijn uit
het veen. Op de zandrug werden verschillende woonplaatsen gesticht, met daarbij
Marum als één van de oudste!

De loop van de vroegere
Oude Riet: van bóven Marum naar áchter Zuidhorn
en Noordhorn, ríchting Reitdiep- en Lauwers delta.
Terug
naar onze “Bult”. In de Friese kustgebieden van Zeeland tot Denemarken waren
in de tijd ná de Hunebedbouwers, in de Bronstijd (1500 v.C), heuvels
opgeworpen, soms van grote omvang. De meeste waren grafheuvels, maar vooral in
latere tijden werden deze ook gebruikt als vluchtplaats bij overstroming of als
een vergaderplaats. Zo’n plaats was rond 1000 n.C. óók de vergaderplaats van
de 7 Friese Zeelanden, de Opstalboom bij Aurich in Oost Friesland.
In
Oud-Fries heette deze plaats Upstalesbeam of Upstalesbame. Het woord Upstall betekent omheind weidegebied,
dat door een nederzetting gemeenschappelijk werd gebruikt. Het Friese woord bame
of beam (vgl. het Engels woord beam) betekent boom en kan betrekking hebben op
een afsluiting of een grensboom.

Oudste
afbeelding van de heuvel Opstalboom bij Aurich
J.
de Vries en f. de Tollenaere
geven in hun etymologisch woordenboek een volgende verklaring: opstal-
‘de middelnederlandse betekenis voor upstal is opgeworpen oeverstrook
langs een water’.
Bij
Aurich zélf kan –boom- betrekking hebben op de 7 eiken die er volgens de
overlevering stonden. De eerste vermelding van de Opstalsboom vinden we in de
Kroniek van het klooster Bloemhof uit 1216. De abt Emo van Huizinge schreef er toen al bij, dat de Opstals- of
Upstallsboom 'oeroud' was, zodat we rustig kunnen aannemen dat deze Friese
ontmoetingsheuvel al uit de 12e, 11e en misschien wel 10e eeuw (900 n.C.)
dateert.
Een
‘upstalboom’ bij Marum?
“De
Bult” bij Marum kan in oude tijden op dezelfde wijze zijn ontstaan en ook
later op kleinere schaal als vlucht- of vergaderplaats gebruikt zijn als
hierboven beschreven. Als eventuele grafheuvel komt het, zoals al vermeld, in
vorm in ieder geval overeen met de grafheuvels in het nabije Friesland en
Drenthe: een oppervlakkige overeenkomst qua uiterlijk, qua inhoud echter niet.
Deskundig
archeologisch onderzoek omtrent de oorsprong kan meer uitkomst brengen.
3.
Een Veenterp
Bijzondere,
misschien primitieve, vormen van opgeworpen hoogten in een veenlandschap zijn de
zogenaamde Veenterpen, Het zijn
kleinere, door mensen opgeworpen woonheuvels
in drassig veengebied voor één boerenbehuizing. Deze komen hier op sommige
plaatsen nog veel voor, bijvoorbeeld in de Peizermaden én in de nabijgelegen
gebieden van de Matsloot resp.
in Noord- Drenthe en in het
Leekstermeergebied.
Ook in Friesland komen deze Veenterpen
nog voor.
Onderzoek
heeft uitgewezen dat ze stammen uit de achtste (700 n.C.) of negende eeuw van
onze jaartelling. Waarschijnlijk zijn ze het eerst gebruikt door herders als
zomerse schuilplaats in de “Mien- scheer, Miensker of
Mainschoar”, terwijl het vee in de omgeving graasde.
Bij
een 1e onderzoek in 1967 rond Peize bleek dat daar nog tweehonderd
terpjes voorkomen, deels in clusters, deels verspreid in het landschap. De
kleine terpjes hebben een doorsnede van 10 à 15 m en zijn ca. 0,3 à 0,4 m
hoog. De grotere zijn 30 à 40 m in doorsnede met een hoogte van maximaal 1 m.
Deze nu nog aanwezige Veenterpen zijn
nog nauwelijks in het landschap terug te zien omdat ze in de loop van de tijd in
de omringende landerijen zijn weggezakt. Ze zijn echter nog wel te herkennen aan
de afwijkende begroeiing op de aanwezige plekken.
boerderijen
op een woonterp
Een 2e onderzoek
uit 2006 is het meest omvattende geweest. Hieruit bleek, dat op alle nu nog
aanwezige veenterpen één huis heeft gestaan. De perceelsbegrenzing bestaat uit
sloten. De bebouwing wordt gedateerd op elfde tot dertiende eeuw(1.000 – 1200
n.C.). De aanwezigheid van meerdere vloerniveaus wijst erop dat de huizen
langere tijd bewoond zijn geweest. Er werden botresten gevonden van rund, geit
en schaap. In de huizen zijn geen mestresten gevonden, wat er op wijst dat de
ruimte niet werd gebruikt voor
winterstalling van het vee en de omgeving mogelijk alleen werd gebruikt als zomerweiding.
Aanwezigheid van mosveen wijst op een zeer nat landschap met nog enigszins zilt
water (het nabijgelegen Leekstermeer kende toen nog invloed van eb en vloed)
maar zonder open water. Klimaat onderzoek heeft uitgewezen dat er ongeveer
tussen de jaren 1000 en 1300 n C. kan worden gesproken over Middeleeuwse Zomer,
een periode met minder neerslag en hogere temperaturen.
In
deze tijd was er waarschijnlijk een rijke groei en was beweiding op de
vruchtbare gronden in de Peizermaden mogelijk.

De
veenterpen in de moerasdelta van Peizerdiep,Eelderdiep en Drentse Aa.
Rechtsboven
voorloper Groningen op Hondsrug; linksonder Leekstermeer in huidige vorm.
Ná
de 13e eeuw (1200 – 1300 n.C) worden de laaggelegen gebieden van de
Veenterpen alléén nog als weidegebied gebruikt. Daarna wordt het weer
namelijk kouder en natter. Vanaf 1315 regende het gedurende tien jaar bijna
onophoudelijk, waardoor overstromingen ontstonden en oogsten mislukten.
Een
veenterp in Marum?
Voor
“De Bult” van Marum gaat op basis van bovenstaande beschrijvingen mijns
inziens de optie voor een Veenterp
niet op. Hiervoor is ons monument onder andere iets te ver verwijderd van het
veen- en drasland van het Oude Diep en de Mienscheer gebieden. De plaats van
“De Bult” ligt ook op een hoger maaiveld Ten derde komen afmetingen en
hoogten van veenterpen niet overeen met die van “De Bult”. Als laatste laat
de omschreven bewoningshistorie op een veenterp zich moeilijk op “De Bult
situeren.
Mijns
inziens kunnen we de optie van een Veenterp
voor “De Bult” van Marum laten schieten.
4.
Een Kapel met losse toren
Het
Westerkwartier kreeg zoals gezegd, zijn bevolking terug rond 800 n.C toen de
kerstening al min of meer een voldongen feit was.
Er
ontstaan dus pas kerken als het nieuwe geloof al vaste voet heeft. Bij de
invoering van het Chris-tendom in deze streek gebeurde dat tussen de 8e
en 10e eeuw (700 – 900 n.C).
De
huidige ‘oude’ kerken hebben bijna allemaal houten voorgangers gehad, zo
blijkt uit opgravingen. Het is waarschijnlijk onzin te beweren, dat ál onze
oudste kerken ook altijd op heidense tempels zijn gebouwd, al wordt door het
Leylijnencentum t.a.v Marum wél het tegendeel beweerd!
Typisch
voor de Noordnederlandse kerkenbouw zijn de losse (zadeldak) torens. Ná het
invoeren van de baksteen in 1100 n. C. werden stenen kerken, torens en ook de
eerste stenen huizen gebouwd (de Stinzen). Ten opzichte van de houten gebouwen
hadden deze ook een betere functie bij bescherming tegen hoog water (!)
náást de verdediging tegen indringers. Bovendien dienden ze als opslag van
wintervoorraad en zaaigoed(!).
De
vroege stenen Kapel, nú het Koor van de Marumer Kerk dateert uit +/- 1150 en
was oorspronkelijk opgemetseld met een halfkoepel*. Als één van de
stichtingsdata van het Klooster Trimunt wordt 1231 genoemd, als de abt van
Dokkum nonnen naar Trimunt overplaatst. Hieruit volgt dat de kerk van Marum
hoogstwaarschijnlijk niet vanuit het klooster Trimunt is gesticht. Naar verluidt
geschiedde dit vanuit Gerkesklooster.

Kapel
als te Marum, nog zonder schip en toren
Ongeveer
¾ eeuw later worden dan schip én toren
tegelijk aangebouwd, met een iets beter ontwikkelde bouwstijl. Het schip mét de
toren zijn dus rond de eeuwwisseling gebouwd. In 1225 n. C. is de bouw voltooid.
De
architectuur van koor en apsis getuigt vanwege de kleine vensters en het
ontbreken van sier-elementen van een zeer oud en vroeg karakter. Ook had de
absis (de halfronde achtermuur) oor-spronkelijk géén vensters. Het geheel leek
op een kapel, met óf een brede opening óf
een deur in de toen nog Westelijke
muur. De vraag is of het gebouw oorspronkelijk wel als kerk voor de
bevolking is bedoeld! Dit beeld komt overeen met enkele soortgelijke gebouwen in
Friesland.
Opmerkelijk
is, dat later de Westelijke torenmuur,
evenals vaak het geval in Drenthe, een deuropening heeft uit dezelfde
tijd als van de bouw, wat bij kerktorens in Friesland uit de 12e en
13e eeuw juist weer zelden het geval is.
Het
rechthoekig grondplan van de toren kan wijzen op een oorspronkelijk dwarsgeplaatst
zadeldak, tot boven aan toe opgemetseld.
Op
oude kaarten is het directe terrein rond de kerk (+ kerkhof) nog volledig omgracht.
Kerk en kerkhof liggen op hun beurt weer midden in een groter, afgescheiden,
vierkant gebied. Binnen dit gebied ligt een 2e omgracht terrein, nú
“De Bult” genoemd. Béide omgrachtingen staan in directe verbinding met het
Oude Diep, noordelijk van de kerk gelegen. Bij uitbreidingen van het
kerkhofterrein in 1927 en 1969 werden beide omgrachtingen (helaas) gedempt.
De
plaats van de toren, vlak aan de gracht, samen met de originele West- ingang in
de toren, roepen de vraag op of de kerk al of niet tijdens haar bouw reeds in
relatie stond met een behuizing op het andere omgrachte terrein, nu “De
Bult” geheten.

Kaart
kerkterrein met de voormalige omgrachtingen
Een
losse toren in Marum?
Over
de vraag of op de plaats van de huidige “Bult” een losse kerktoren heeft
gestaan, zoals op veel plaatsen in Friesland en Groningen, kunnen we echter kort
zijn. Op basis van alle bekende gegevens ontbreekt elke aanwijzing voor een
losstaande kerktoren. Schip én toren
zijn tegelijk rond 1225 n. C. tegen de Kapel aangebouwd. Tussen 1150 en 1225 n.
C. was er natuurlijk geen sprake van de bouw van nóg een kerktoren op het
kerkterrein, dus ook niet op of bij de “Bult”. Wat
de relatie van de Kerk met het omgrachte terrein dan wél is geweest…?
5.
Een Spieker
Een
Spieker
is de benaming voor een voorraadschuur waarin de oogst, vooral graan werd
opgeslagen Deze opslagplaats vonden we in de prehistorie en in de Middeleeuwen
door heel Nederland maar vooral in het
Noorden en het Oosten.
Eerst
terug naar de Brons- en IJzertijd
De Vredewolders uit de Brons- en IJzertijd aten heel andere dingen dan wij
tegenwoordig. Hoe anders dat was, blijft raden. Zo kenden ze nog geen
aardappelen of tomaten, die kwamen pas na de Middeleeuwen uit Amerika. Wat we
weten komt vooral via de archeologie.
Vrijwel
iedereen was destijds boer, het was een ''way of life'. Op het menu
stonden zelfverbouwde gewassen en de dieren die ze hielden of jaagden. Dit
vulden ze aan met verzamelde planten en wild: bosbessen,
andere wilde bessen, misschien wilde aardbeien, eikels, hazelnoten,
jeneverbessen, rozenbottels enz.
In
de Vroege IJzertijd (700 v.C.) verbouwde men granen als gierst, gerst, de
tarwesoorten emmertarwe en spelttarwe; gewassen met oliehoudende zaden als
maanzaad en huttentut en vezelgewassen. Vlas werd waarschijnlijk zowel voor
de vezel (linnen) geteeld als voor het lijnzaad (olie), maar dan wel in aparte
veldjes. Je kunt namelijk niet én de vezels én het zaad
tegelijkertijd oogsten: de vezel is “klaar” voordat het zaad rijp is.
Daarnaast verbouwden ze tuinbonen, schapenzuring, knollen en mannagras.
In
de omgeving werd onder andere kruiden, bramen, frambozen, hazelnoten en vlierbessen
geplukt. Wilde planten werden verzameld, zoals spurrie, wikke, ganzenvoet,
peenwortel, paardenbloem, erwt, en duivenboon.
Vóór de komst
van de Romeinen kende men in onze streken geen gekweekte fruitbomen.
Men
vermoedt dat de opslag van voedsel (maar ook van wintervoer voor het vee) plaats
vond in spiekers op
een verhoogd erf. Deze gebouwtjes zijn teruggevonden en bestonden uit 4
tot 6 palen.

Een spieker in de prehistorie
De
Middeleeuwen (500 – 1500)
Eeuwen later haddenbelastingkantoren
van kerkelijk of kloosterlijk gezag op het platteland óók vaak een
Spieker in elk dorp of streek. Voor de exploitatie van hun gronden en voor
de berging van de opbrengsten, stichtten de Abdijen zgn. 'uithoven' met kapel én
Tiendenschuur.
Tienden
en Spieker
Deze
oogstbijdragen werden opgeslagen in een gezamenlijke Spieker. In die tijd
betaalden ook in Drenthe de boeren van bv. “Dwingelderveld” hun belasting in
natura. In de Spieker werden ook hier de belastingen bewaard. Tijdens
onderzoekingen ter plaatse vonden archeologen nog scherven uit 1200 n. C. Het
gebouw stamt dus ook uit die tijd De Spieker werd later in de Middeleeuwen
echter gesloopt.
Zo
ook in het centrum van Lhee, ook in Drenthe. Daar bleek een in 1953 opgegraven
fundament van een Middeleeuws gebouw eveneens van een Spieker te zijn. Het 1 m.
brede fundament was opgebouwd uit veldkeien en had een binnenwerkse afmeting van
6 x 4 m. De bodem lag ca. een meter onder maaiveld. Vermoedelijk stond op de
veldkeien-fundering een bovenbouw in vak-werkbouw, maar of die één of twee
verdiepingen hoog was, is niet bekend. Aardewerkscherven dateren het bouwsel ook
in de tijd rond 1200. Dit soort constructies was uit de prehistorieen de vroegste
Middeleeuwen(500 n. C.) zéker niet bekend. Vermoed wordt dat het gebouw ook daarom gediend
heeft als Spieker, waarin de belasting die in natura (graan) werd geheven
(tijdelijk) kon worden opgeslagen. Deze constructiewijze zou dan – tegelijk
met die van de eerste stenen kerken(!) een nieuwe bouwwijze zijn onder invloed van de nieuwe
landsheer, in dit geval de bisschop van Utrecht, die sedert 1040 n.C. de scepter over o.a. Drenthe en
Groningen zwaaide.
In
de latere Middeleeuwen én daarna(!) komen we de
Spieker nog steeds tegen als de opslagplaats van de boeren en de
gemeenschappen zélf: als een eígen middeleeuwse opslagplaats
van graan en andere producten als rogge, gerst, haver, tuinbonen, erwten en
vlas, enz.
Zo
ligt op het Landgoed Verwolde (Laren
Gld.) bv. nog een terrein “De Polhof". Hier stond vroeger een kleine spieker óp ‘een Pol’ met een gracht
aan een oprijlaan. Een deel van deze gedempte gracht was uitgegraven
door de grond óp ‘de pol’ te leggen. Later is de gracht weer gedempt door
‘de pol’ er weer in te schuiven. (De watervoerende gracht was dus gedicht,
maar is nu weer uitgediept tot opnieuw 3 meter diep.) Dit is vergelijkbaar met
de situatie van de Bult in Marum!
Spieker
en Sarrieshut
Deze
huisjes werden vanaf 1628 gebouwd, als woning van de chercher, een ambtenaar,
aangesteld door de Staten van de provincie Groningen (Stad en Lande), die belast
was met de controle op “de belasting op het gemaal”. Deze belasting was een
'recht' dat geheven werd op het bij de molenaar ter vermaling aangevoerde graan.
Om voldoende geld binnen te krijgen voor de strijd tegen Spanje, werd deze
belasting al in het begin van de 80-jarige oorlog ingevoerd. Soms werd de
sarrieshut wel de opvolger van de Tiendenschuur. Maar ook daarna werd deze
belasting gehandhaafd en uiteindelijk pas afgeschaft in 1855, vier jaar
na de invoering van de gemeentewet in 1851. Deze geschiedenis in onze
noordelijke provincies loopt wat deze data betreft hierin niet altijd parallel.
sarrieshut
Leermens

rechts van de molen de
sarrieshut Visvliet
En
nu: een spieker in Marum?
1.
Marum is
één van de oudste nederzettingen in Vredewold. Het is daarom niet ondenkbaar
dat al in de prehistorie de vroegste bewoners langs het Oude Diep in Vredewold
bij Marum een verhoging hebben opgeworpen om daarop hun producten in een houten Spieker
te bewaren. De archeologie toont aan dat dit op grote schaal in het noorden
en oosten van ons land inderdaad zo gebeurde…
2.
Ook kent
Marum vervolgens een duidelijke Kerkelijke historie in haar
ontstaansgeschiedenis. Marum heeft een van de oudste kerken van de provincie!
Deze kerk was eerst een Kapel. Zoals beschreven, wordt hier vaak een uithof met
Tiendenschuur aan gekoppeld. Kerk en klooster organi-seerden - en voerden
ontginningswerken uit. De daar bijbehorende tienden, in natura geheven, werden
opgeslagen in de Tiendenschuur, liefst gebouwd op een (droge en veilige)
verhoging in het landschap, eventueel omgeven door een gracht. Vanwege de
godsdienstwisseling in de 80-jarige oorlog verloor de Spieker uiteindelijk zijn
doel en draagvlak in de gemeenschap.
3.
Samengevat
is het niet ondenkbaar dat vanaf de late prehistorie tot ín de Middeleeuwen ook
in Marum eerst een houten Spieker en later een Tiendenschuur kan hebben gestaan
op één en dezelfde verhoging in het landschap. Archeologisch onderzoek moet
hier duidelijkheid geven.
6.
Stinswier of ‘Hege Wier’
Hege wier bij Menaldum
Een
‘Hege Wier (ook wel Stinswier)
is een, vooral in Friesland maar ook in Groningen gelegen, opgeworpen heuvel uit de latere
Middeleeuwen, waar een versterkte woontoren (of motte) op was gebouwd. In Zeeland heten deze
heuvels Vliedbergen. Dus eerst houten-, later stenen versterkingen, vaak in de
vorm van Stinzetorens. Tegenwoordig zijn van deze ‘Hege Wieren’ nog slechts
de heuveltjes overgebleven. Er zijn in Friesland en Groningen van de
oorspronkelijk meer dan 108 exemplaren nog slechts 7 à 8 over. In Friesland
liggen ze o.a. bij de dorpen Sexbierum, Jellum, Lies, Menaldum en Oosterend.
Net
als de Zeeuwse Vleidberg werden de ‘Hege Wieren’
vooral gebouwd als prestige object van de grondbezittende boerenklasse. De toren
werd vaak niet bewoond, daarvoor verkoos men liever het comfort van de
herenboerderij vlak in de buurt. Slechts in tijden van conflicten werden de
Stinzen op de ‘Hege Wieren’ gebruikt om zich in te verschansen.

Bezienswaardig
is de "Berg van Troje" te Borssele. Rond deze fraai met knotwilgen
begroeide
vliedberg verraden de laaggelegen stukken grond waar vroeger de gracht liep.
Misverstanden
over ‘Hege wieren’
Net
als bij Vliedbergen
als hierboven, worden de ‘Hege Wieren’ vaak aangezien voor
alleen
vluchtheuvels bij hoog water én soms ook wel voor een terp of
een wieerde. Echter, qua omvang zijn deze heuveltjes te klein om als
vluchtheuvel of als terp
of wierde dienst te kunnen doen.
Bovendien
zijn er rond verscheidene wieren restanten van grachten aangetroffen. Andere
argumenten waarom de ‘Hege Wieren’ geen terpen of wierden zijn is het feit,
dat ze vaak óp of bíj een dorpsterp zijn aangetroffen, óók in hoger gelegen
delen van onze provincie. Ook heeft men ooit nog wel gedacht aan grafheuvels, maar de
vaak aanwezige gracht, puin en wapenvondsten spraken dit tegen. Bij
archeologisch onderzoek houdt men wel een slag om de arm: sommige aanwezige
heuvels kunnen restanten zijn van een molenberg of een z.g. galgenberg.
Huidige
aanwezigheid
Halbertsma
bracht de ‘Hege Wieren’ voor het
eerst in verband met vergelijkbare burchtheuvels (motten) of Vliedbergen uit
Zeeland, Vlaanderen en NW Frankrijk. Juist het vaak aanwezige puin en scherven
uit de Middeleeuwen brachten hem tot de overtuiging dat dit de heuvels zijn,
waarop in de Middeleeuwen in de Friese landen de honderden torens hebben
gestaan, waarover zoveel geschreven was en géén grafheuvels.
Er
bestaan dus nog zo’n 7 à 8 zichtbaar in het landschap aanwezige Stinswieren
of ‘Hege Wieren’ .In Groningen, o.a. bij Zuurdijk en Garsthuizen én
eventueel een Stinswier in Marum!
Deze
in één keer opgeworpen kleine heuvels (basis 30 meter – hoogte 5 tot 10
meter) stammen dus uit de (vroegere) Middeleeuwen: van de 9e tot de13e
eeuw, dus bij ons in Marum uit dezélfde periode dat de kerk in dezélfde
buurtschap werd gebouwd!
Ze
werden niet bewoond: vaak stonden er (grotere) boerderijen in de directe
omgeving. Ook dit stemt overeen met de situatie in Marum. Rijst de vraag: welke
rijke boerenplaats heeft ooit in de omgeving van “De Bult” gestaan, mocht
dit ooit een ‘Hege Wier’ geweest
zijn? De vroeger nabijgelegen Wijma heerd aan de Randel komt daar het eerst voor
in aanmerking. Nader onderzoek hiernaar is gaande.

Afstand
‘Bult’ tot de Wijma- heerd aan de Randel
Oudere
afbeeldingen die betrekking hebben op deze ‘Hege Wieren’ zijn er niet veel
meer. Alleen nog van een viertal rond de voormalige Middelzee in Friesland en
uit Groningen die van de Dijkumborg, aan de vroeger enorme delta van de Fivel.
Deze beide delta’s gingen toen richting open zee.
De
verhoogde borgstee op het terrein van de Dijkumborg te Garsthuizen doet
vermoeden dat ook hier sprake is geweest van een “Chateau à motte”, dat wil
zeggen de bouw van een versterking op een omgrachte ronde heuvel… Van de
werkelijke Stinsen is er in Groningen nog alleen die te Niebert overgebleven,
maar dan wel met een andere bouwhistorie dan vanuit een ‘Hege Wier’.
Stinzen
hebben vervolgens vaak een rol gespeeld in de twisten tussen de Schieringers (vnl
Friezen) en de Vetkopers (vnl Groningers) tussen 1325 en 1496. Na die tijd kwam
het in de 16e eeuw en aan het begin van de 80- jarige Oorlog vaak
voor dat bezitters van de Stinsen door de Staatse troepen werden gedwongen hun versterkingen
af te breken (…) zodat de toenmalige Spaanse vijand geen gelegenheid
kregen zich te verschansen. Een ‘Hege Wier’ met Stins te Marum zou de
Spaanse stad Groningen zo bv. een voorpost bieden tegen de Staatse Schans van
Frieschepalen.
De
vorm van een vroege Stins
Een
Stinswier bij Marum?
1.
In dit verband doet “De Bult” vóór de Romaanse kerk te Marum, op een
voorheen omgracht terrein sterk denken aan de vorige beschrijvingen. De situatie
als bij Marum wordt ook nu nog bijna exact aangetroffen bij Rauwerd in
Friesland. Hier ligt een ‘Hege Wier’ ook aan de rand van een oud (State)
terrein mét een toegangspoort.
In
Marum ligt “De Bult” ook aan de rand van het vroegere Kerkterrein met, zoals
we in de volgende aflevering zullen zien, óók een toegangspoort.
Heeft
vroeger op de plaats van “De Bult” een Stins op een ‘Hege Wier’ met
omgrachting gestaan?
2.
In Marum staan volgens een tekening uit 1672 de kerk achter een poort, met
daarnaast een hoge gevel van een stenen woonhuis. Heeft hier bij de kerk
eventueel een Stins gestaan óf is dit poortgebouw de opvolger van een oudere
Stins op de Bult? De poort kan men op de tekening namelijk óók situeren op de
“De Bult”.
En
moest ook deze Stins, waar hij dan ook ooit stond, ten tijde van de 80 jarige
oorlog om haar strategische ligging worden afgebroken, om niet vanuit de Spaanse
stad Groningen bij de Staatse Schans van Frieschepalen in de rug te kunnen
worden aangevallen?
Op
de plaats van “De Bult” is in1988 bij een onderzoek door amateur archeologen
in ieder geval wél Middeleeuws aardewerk en puin verzameld!
Op
de nu niet meer aanwezige poort in Marum, bekend van een tekening uit 1672 kom
ik spoedig terug.

een
Stins in een dorp aan open vaarwater…
3.
Verkeersgeografisch gezien komt de ligging van een ‘Hege Wier ’ te Marum
overeen met die van Stinswieren elders: vaak gelegen aan doorgaande wegen en
(niet onbelangrijk!) aan doorgaande handelsvaartroutes! Contacten over langere afstand gingen destijds veel over water. Juist de
rivieren waren belangrijke verkeerswegen in de Middeleeuwen. Contacten met
andere gebieden en landen werden voornamelijk onderhouden door varende
handelaars. Het toentertijd op 200 meter afstand liggende en zéker
bevaarbare Olde Diep was via de Matsloot, de Gave én het oude Aduarderdiep de
verbinding met het belangrijke Aduard én: via de stad Groningen de
handelsverbinding naar open zee!
Vergelijkbaar
hiermee is de Wobbinga Stinswier onder Sneek: de Jorwerder Vaart ligt ook hier
op 200 meter afstand. Ook hier was deze rivier de vroegere handelsroute naar óf
de Zuiderzee én via Leeuwarden ook naar open zee!

afstand de Bult t.o.v. het Oude Diep
4.
Vaak ook liggen/lagen de Stinswieren
vlak bij de zg.’stemhebbende boerenplaatsen’ van belangrijke ingezetenen.
Onderzoek
hiernaar wijst uit dat nagenoeg álle oudere plaatsen in zowel Vredewold als
Langewold (van Lutjegast tot in Oostwold) één en vaak méér stemhebbende
versterkte boerderijen dan wel Stinsen hebben bezeten. Een volledige lijst
hiervan is voorhanden.
Dat
het zeer oude centrum van Marum(-West) met waarschijnlijk de oudste kerk uit de
provincie mét nog een kloosterplaats & alle bijbehorende landerijen van
2000 ha. als enige kern júist geen enkele Stins of Zathe bezeten zou hebben
doet zeer onwaarschijnlijk aan. De nabijgelegen Wijmaheerd komt daarvoor in
aanmerking. Het is daarom mijns inziens zinvol een nog niet officieel beschermde
eventuele ‘Hege Wier’ als die van
Marum, door wérkelijk deskundigen uitgebreid te laten onderzoeken.
Onderzoekers
van het BAI van de Rijksuniversiteit Groningen pleiten hier al langere tijd
voor; “De Bult“ én historisch Marum verdienen dit.*
…
was dit ooit de situatie in Marum…?
*
O.a. pag. 216 en 225 uit “Terpen en Wierden in het Fries-Gronings
kustgebied” onder redactie van
M. Bierma, A.T. Clason, E. Kramer en G. J. de Langen geschreven door
(oud) medewerkers en studenten van het BAI der RUG en het Fries Museum 1988.
7.
Een Duivenslagpoort
In
“Vlijtige armoede en tonnen Gouds” van
J. en H.J. Boerema toont een schets
uit 1672 de kerk en omgeving, met duidelijk een toegangspoort vóór het
kerkterrein. Mijns inziens is deze schets genomen vanaf de hoek vanaf de
(latere) Maire woning van Idsingh. Hij zou grutter geweest zijn, wat het
uithangbord kan verklaren. Als we goed kijken, zien we in ieder geval een
poortgebouw met vlieggaten. Kan dit gebouw eventueel gebruikt zijn als een
zogenaamde Duivenslagpoort? En wat is dan de relatie tot de “Bult” van
Marum? We gaan weer terug naar vroeger tijd; tijden waarin duiven op soms even
grootschalige wijze werden gehouden als pluimvee tegenwoordig.

Poortgebouw vóór
de kerk van Marum
De
óudste nu nog bestáánde duiventillen en - poorten in ons land zijn de stenen
Duiventorens uit de 16e en 17e eeuw (1500
– 1600).. De enige stenen til die bv. Drenthe nu nog rijk is, staat in Roden
op het landgoed Mensinge. Er waren ook gebouwen die een duivenzolder hadden. In
de topgevel waren dan vluchtgaten aangebracht. Het kwam ook voor dat er een rij
vluchtgaten op het pannendak zat, een zogeheten gibbeflecht. De grote houten
kasten op vier palen en met bv. een zadeldak zijn echter algemener.
Duivenslagpoorten
bij kerken, boerderijen en borgen.
Al
in de vroege Middeleeuwen vond de verspreiding van Duivenslagen plaats over
geheel West- Europa. Tussen
haakjes: Een
‘Duivenslag’ is een voorziening
in een hok waardoor de duiven er wel vrij in kunnen vliegen maar, eenmaal
binnen, er niet meer uit kunnen. Duivenslagpoorten
ontstonden in de 17e en 18e eeuw, waarschijnlijk eerst bij Kloosters, Kerken,
Borgen en later ook bij boerderijen. De
ons nú nog bekende staand Duivenslagpoorten ontstonden
dus tussen 1600 – 1700, maar door de geringe aandacht voor dit stuk
plattelands- architectuur zijn ze bij ons nu helaas uitzondering geworden.
*
Plaats
en inrichting van een Duivenslagpoort
Duivenslagpóórten
zijn poorten, vaak op een dam bij boerderijen/borgen en kerken/kloosters en vaak
binnen rondlopende grachten. Een
Duivenslagpoort moest vervolgens hoog zijn en rustig zijn gelegen in de
nabijheid van zuiver water…(!)
Duiven hebben dus een rustgevende omgeving nodig en wil daarbij de omgeving in
de gaten kunnen houden. Een Duivenslagpoort staat daarom altijd op enige afstand
van een gebouw. Daarnaast moet de poort hoog zijn, ook al omdat duiven van
nature altijd hoog nestelen. In alle gevallen bevinden zich bovenaan de
buitenkant aanvliegopeningen met aanvliegplankjes. Ook moet de poort van binnen
voldoende ruimte hebben voor voortplanten en nestelen.
Rond
een duifhuis of duivecot gold vaak een soort afpalingsrecht om de rust te
waarborgen. Tot 1848 behoorden overigens, volgens het Burgerlijk Wetboek,
behalve de duifhuizen ook de duiven zélf tot het onroerend goed.
Vóór
we een eventuele Duivenslagpoort van Marum zélf diepgaand bestuderen, nemen we
eerst een kijkje in onze directe omgeving, wat daar ook zoals bekend is omtrent
de Duivenslagpoorten, om ver-volgens de situatie in Marum daarmee te kunnen
vergelijken.
Duivenslagtorens
Naast
Duivenslagpoorten hebben in ons land en daarbuiten ook vele Duivenslagtorens.
Hoewel het mogelijk is dat er op de plaats van “De Bult” vóór de poort een
dergelijke torens heeft gestaan, valt op dit moment een dergelijke beschouwing
buiten mijn beschouwing.
Eén
uitzondering maak ik voor de Duivenslagtoren van Huis te Werve, Rijswijk. Deze
Duivenslagtoren was eerst een verdedigingstoren. In dit geval een hoektoren van
een groter terrein.
Ik
vestig hier de aandacht op, omdat in Marum de mogelijkheid van meerdere
historische gebruiks-doeleinden achtereen voor “De Bult” , ook niet
denkbeeldig hoeven te zijn!
Duivenpoort
van huis te Werve te Rijswijk. Het is een voormalige
hoektoren en is de oudste Duivenslagtoren van Nederland
Bij
een verbouwing in 1953 zijn ter plaatse van de keuken aanwijzingen gevonden van
een Donjon, een vluchttoren (bij ons dus de Stins!). Dat was omstreeks het jaar
1000 de meest gebruikelijke kasteelvorm. De oudste afbeeldingen van de toren
dateren van rond 1700. Op een aantal van deze afbeeldingen is de duiventoren
zichtbaar. Ze dateert uit de 15e eeuw (1400-1500). Waarschijnlijk was deze
duiventoren ook de plaats, waar de jachtvalken werden geherbergd: ‘de vaclken welke tot den onmisbaren inventaris van iedereen zich
respeecterenden edelman behoorden’.
De
duiventoren is een nagenoeg vierkant, gebouwtje met een hoogte van 10,35 m., het
grondvlak ca. 4 x 4 meter. Gezien de aangetroffen soort vroege baksteen is het
niet denkbeeldig dat de duiventoren, evenals Huis Te Werve zelf, in 1448 gebouwd
is. Het oudste gedeelte van de torenmuur, dat reikt tot een hoogte van ca. 2 m.,
dateert van vóór een restauratie van 1590, het jaar waarin het bovendeel van
de duiventoren gerestaureerd werd. Deze muur blijkt aanmerkelijk dikker te zijn
dan het muurgedeelte erboven. Kasteel Te Werve was een van de weinige kastelen
met een voorburcht. Bij opgravingen landgoed in 1992 werd een gedeelte van deze
voorburcht gevonden. Tevens zijn toen aan één zijde aanwijzingen gevonden voor
een hoektoren. Deze Duiventoren zou de andere hoektoren geweest zijn.
Uiteraard
heeft Marum een andere plaatselijke historie, maar de mogelijkheid is aanwezig,
dat een voormalige Stins (al of niet via een Duiventoren) later plaats bood aan
de Duivenslagpoort vóór de kerk.
Thans
nog
bestaande poorten
1e.
in Friesland
A.
Liauckemastate- Sexbierum
Bij
een State verdienen ook de poorten de aandacht. De poort hieronder bijvoorbeeld
is deels gemetseld van kloostermoppen, deels van kleine gele steen. Dat is
waarschijnlijk in 1604 gebeurd, het jaar dat in de poort staat aangegeven. In
beide gevels, maar ook onder de daklijsten, zijn duivengaten in de muren
aangebracht. “
Ook
op Liauckamastate (Sexbierum) werden duiven gehouden’’, concludeert
architectuurhistoricus Peter Karstkarel in “Stinsen
en States, adellijk wonen in Friesland” (1990).
Straks
zullen we zien dat deze poort past qua bouwstijl past bij de oorspronkelijke
Romaanse kapelkerk én bij die van de eventuele Duivenslagpoort in Marum.


Duivenslagpoort
Liauckema State
B.
Sjuckema State- Waaxens
Hieronder
prijkt de 17e eeuwse, ook bakstenen, Duivenslagpoort van het voormalige Sjuckema
State. Dit is het soort Duivenslagpoort die vroeger o.a. bij adellijke states
e.d. stond. Lauwersland-NOF geeft de volgende korte beschrijving:
”Tegenover
de fraaie kerk van Waaxens staat de stinspoort van de Sjuckemastate, een soort
duivenpoort die vroeger veel bij adellijke states stond”.
Ook
de bouwstijl van deze poort lijkt op die van de getekende poort vóór de
Romaanse Kerk te Marum.

poortgebouw
Sjuckema State
Vervolgens:
“De meeste
Duivenslagpoorten waren afsluitbaar als toegangspoort voor de oorspronkelijk
achterliggende terreinen”.
Ook
déze beschrijving is van toepassing op de weergegeven poort voor de Romaanse
Kerk te Marum.
2e.
in Groningen
(uit
'Stad en Lande', jaargang 12 nummer 2 door Tonko Ufkes, historicus en
duivenhouder. )
A.
Leens en Uithuizen
Ook
bij
haast alle overgebleven Groninger borgen staat wel een duivenverblijf maar bij
grote boerderijen is dit inmiddels een uitzondering geworden.
“De Groninger Duivenslagpoort” is nog steeds een uniek bouwwerk, maar van de drie overgebleven poorten is slechts één bewoond en geen enkele poort kan meer afgesloten worden. Helaas is er te weinig aandacht geweest voor dit stuk plattelands- architectuur. Nog steeds aanwezig is de poort bij boerderij 'Dingweer' te Lellens, ook al zijn de ijzeren hekken verdwenen. Een ander fraai voorbeeld van een (houten) poort stond voor de borg Scheltkema-Nijenstijn bij Zandeweer. met twee keer 17 invlieggaten en wellicht ook 34 aan de achterkant, was dit een groot exemplaar. Ook de poort van de boerderij 'Boelsemaheerd' is bewaard gebleven en kreeg een plaats bij de museumboerderij te Leens.

poort
“Boelsemaheerd” Leens
Ook
de houten duiventil van de borg Verhildersum en de til bij de Menkemaborg( in de
oorlog afgebroken en later vervangen door de til van de Tacumaheerd) zijn goede
voorbeelden van Duivenslag in onze
provincie
B.
Vinckersum- Schildwolde
In de peilers van deze poort staat het wapen en het jaartal Anno 1659 afgebeeld. D evroegere bewoners hebben hoogstwaarschijnlijk duiven gehouden: de tamme duiven lokten de wilde naar de poort en zij vlogen door de gaten naar binnen. De wilde duiven konden wel naar binnen maar er niet weer uit. De wilde duiven werden geslacht en gegeten: duivenslagpoort. Een dergelijke poort is ook in Steendam te vinden. Sinds 1939 staat de Duivenslagpoort in Schildwolde onder Monumentenzorg.

Duivenslagpoort van Vinckersum
Het
Recht van Duivenslag
Het
hebben van een fraaie duiventil of poort had zeker te maken met prestige. De
achtergrond van de duivenhouderij was echter vooral praktisch: de duif gold als
een delicatesse. Duiven vormden
daarbij nog een belangrijke aanvulling van de voeding, vooral in de winter,
wanneer vers rund- en varkens-vlees nauwelijks te krijgen was.
Omdat
duiven bij het zoeken naar voeding in omringende weilanden grote schade konden
aanrichten, werd het houden van duiven aan strenge regels onderworpen. Het recht
om grote aantallen duiven te houden in poorten of torens te bouwen was een uit
de dertiende eeuw (1200 – 1300)
daterend recht, voorbehouden aan boeren/(lagere) adel en de geestelijkheid/later
de dominees. Het recht om duiven te houden werd gekoppeld aan de hoeveelheid
land die men bezat. De voornaamste grondbezitters van de Middeleeuwen –
kloosters,
kerken en boeren in het Noorden - kregen zo recht op Duivenslag,
het recht om grote aantallen duiven te houden in torens, tillen en poorten.
Het
recht om duiven te houden was dus een zg. ‘Heerlijk’ recht. Dit recht gold
weer niet in grote delen van de provincie Drenthe.

de
houten Duivenslag op 4 palen was vroeger algemeen
Kerken
en Duivenslag
1e.
in Holland
-
Zo is in Maartensdijk bv. de toren van
de Hervormde kerk geschikt gemaakt voor duiven. In de verdieping onder de
luiklok zitten in drie wanden zogenaamde duivenkamers.
In
de nissen zijn gaten uitgespaard in het metselwerk, waarin de duiven kunnen
nestelen. De toren dateert uit +/- 1500(!)
maar de Duivenkamer heeft gelukkig menige restauratie overleefd en is nog in
oude toestand bewaard gebleven…

kerk
Maartensdijk
2e.
in Drenthe
-
Ook de kerken legden zich vroeger toe op het houden van duiven.
Anders dan in andere gewesten was dit recht in Drenthe bijvoorbeeld geen
uitsluitend heerlijk recht, waarschijnlijk met uitzondering van de Heerlijkheid
Ruinen. Duiven werden hier gehouden om het vlees, de mest én omwille van het
aanzien. Ook de dominee had duiven, waarbij de til dan in het bezit was van de
heren kerkvoogden!
-
Zo was de Kerkvoogdij van de Ned. Herv. Kerk te Koekange ook in het bezit van
een Duiventil. In 1829 liet dominee C. Buning, die in 1798 in Koekange was
gekomen, de til registreren. Daarna bleef registratie uit; dominee, en dus de
kerk, had geen duivenslag meer. Toen later een nieuwe dominee kwam, wilde deze
weer met de een Duivenhouderij beginnen.
Hij
was echter niet op de hoogte van de verplichting tot registratie en dat had
verstrekkende gevolgen! De kerkvoogden verzochten aan de Gouverneur dit opnieuw
in orde te maken; dit bleek niet eenvoudig! Er moest zelfs een verzoek aan de
Koning gezonden worden.
Jaren
later zou zich precies dezelfde geschiedenis herhalen...Déze dominee deed toen
onderzoek teneinde de oorsprong en wettigheid van de til op te sporen. Het werd
duidelijk dat er sinds onheuglijke tijden boven in alle vorige pastorieën
duiven werden gehouden…
Ook werd duidelijk dat bij een vorige verbouwing van de pastorie de kerkvoogden
op verzoek van de toenmalige dominee een Duiventil maar in de tuin hadden
gebouwd. Men had echter die til niet laten registreren… Er werd daarom wegens
illegaliteit geen vergunning meer verstrekt en daarmee verspeelde de kerk van
Koekange zo uiteindelijk het recht van Duivenslag dat zij enige eeuwen had
gekoesterd…

Duivenslag
op verhoging met onderdoorrit
3e.
in Groningen
In:
“Duiventillen bij Groninger kerken en
pastorieën” bevestigt Teun Juk in
(K-
blad Groninger Kerken- Jg 14 Nr 4) het
beeld dat: ”Het minder bekend is dat ‘ook tal van kerken, torens en pastorieën
eens van een duiventil waren voorzien(…) Uit de zeventiende en achttiende eeuw
zijn er berichten over de
aanwezigheid van duiventillen bij kerken en pastorieën.
En
dan komt het:” -
Zo toont een tekening van de kerk van Marum uit 1672 een Duivenpoort ten westen
van de kerk (!) - “.
En
verder: “Eén
zák duivenmest was even duur als een kár schapenmest(…) In dat
licht moeten we ook het Groningse plakkaat uit 1759 zien over het verbod op de
uitvoer van mest, behalve duiven en schapenmest. In economisch opzicht waren
duiven niet geheel zonder betekenis. (…) Om een duiventil te mogen exploiteren
diende de eigenaar over ongeveer 12 ha land te bezitten. In 1807 (de Franse
tijd) werd dit de landelijke norm”.
Teun
Juk
geeft dan nog door voorbeeld van het “Kerkarchief
van Oldenzijl”
een gedetailleerd overzicht van inkomsten en uitgaven rond de exploitatie van de
kerkelijke Duivenslag aldaar. Wegens de vele details en omwille van de
leesbaarheid laat ik dit verslag hier buiten beschouwing (K.V.).

Kerk
Oldenzijl
De
Franse Revolutie
Tijdens
de Franse revolutie schafte men alle heerlijke rechten voor de adel af en
werden de duiven-poorten, -torens en -tillen verboden. Immers de leus was toen
vrijheid, gelijkheid en broederschap.
De Fransen zagen het bezit
van een Duivenpoort als een Herenrecht. Zoals bekend schafte men in 1798 bij ons
veel méér privileges van landadel en kerkheren af.
In
1800, nog tijdens het koningschap van Lodewijk Napoleon, werd dit verbod weer
opgeheven en
verplichtte de koning landelijke registratie van duiventillen.
Vanaf
1807 tot 1814 noteert de 'Intendant voor de jacht' álle duivenhouders.
Zijn ‘opperjager-meester’ noteert er dan nog 1900 duivenhouders(!)
in ons land, waarvan er in 1854 nog slechts een kleine 100 van over
zijn. Deze
teloorgang heeft ook in Marum kunnen plaatsvinden, maar daar komen we straks op
terug.
Koning
Willem I probeert in 1814 de oude situatie nog te herstellen, maar de teloorgang
heeft dan al te grote vormen aangenomen. Van
1814 tot 1851, kwam de registratie in handen van de 'Opperhoutvester' die
vergunningen verleende voor soms nog 100 tot 200 paar duiven.
Bij de grondwet van 1848 werden opnieuw tal van ‘heerlijke’ rechten
afgeschaft. Het recht van duivenslag blijft echter voortbestaan en wordt dan in het jachtrecht opgenomen
Mogelijk
maakt men destijds dus in de korte tijd van 40 jaar én op grote schaal
om verschillende redenen geen gebruik meer van het Duivenrecht! Het verbod én
sloop in de Franse Tijd, plunderingen tijdens deze oorlogshandelingen door
soldaten, de algehele verwaarlozing en afbraak daaropvolgend, de registratie, de
oplopende kosten en heffingen later, enz., enz., waren te veel geweest.
Golden
deze
oorzaken ook voor Marum, zodat de eventuele Duivenslagpoort in de Kerkgracht in
de Franse tijd of direct daarna uit ons dorpsbeeld verdween?
In
ieder geval blijkt in Marum al tussen 1811 en 1832, dat de plaats van de
eventuele Duivenslag-poort, d.i. ‘”De Bult, in het toenmalige kadaster al is
veranderd een verhoogde ‘Plaats ter vermaak’ . De term “plaats ter
vermaak” werd misschien om belastingtechnische redenen gehanteerd. In dezelfde
periode wordt b v. de oprijlaan van de ‘Coenderborgh’ en een bosperceel ook
zo aangeduid.
Een
poort bij de kerk in Marum?
We
kijken hieronder nog eens naar de tekening van poort, kerk en woning uit 1672.
Hoort deze poort óók bij de indertijd bij ons zeer algemeen voorkomende Duivenslagpoorten?
Het
Poortgebouw,
en daar gaat het ons om, is in ieder geval centraal en gedetailleerd neergezet:
Het
is een gemetseld poortgebouw, met een hekwerk binnen in de gewelfde ingang.. Het
hek met schuifgrendel is van punten voorzien. Het hek zal het achterliggend
terrein hebben moeten afsluiten en heeft vanwege de grendel logischerwijs kunnen
scharnieren Het binnenwerk van de poort is verdeeld in 3 (metsel?) bogen. De
poorttoegang is over de volle breedte 2 trap-treden hoog. Deze poort zal naar
alle waarschijnlijk ook een toegangsfunctie gehad hebben naar de kerk. (Naar de
westkant van de toren, waar eertijds inderdaad een ingang was?)
Aan
onze zichtkant is het midden van de poortboog van een siersluitsteen voorzien.
Heel vaag zijn meer eventuele siersluitstenen te ontdekken. De top van de
trapgevel heeft een ‘schietsleuf’ of eventueel een muuranker. De
‘achterzijde’ heeft ook een (lagere?) trapgevel. Het dak is misschien voorzien van boven- en onderpannen, ook wel monniken
en nonnetjes genoemd. Het vroegste bekende gebruik van dit soort pannen in deze
streek dateert uit +/- 1300. De hoek aan de rechtervoorzijde is bouwvallig; er
ontbreken op halve hoogte enkele hoekstenen. Aan de voorzijde van de poort is de
muur van de geveltip voorzien van zeven invlieggaten voor duiven. Een toegang
tot de Duivenkamer is niet te zien.
Volgens de tekening komen de bouwstijlen van poort, kerk, toren en woning
enigszins overeen. Er zijn overeenkomsten te constateren met vooral de hiervoor
beschreven Friese Duivenslagpoorten.

Duivenslagpoort
van Marum. sterk vergroot
De
kans bestaat dus dat tijdens de Franse Tijd, rond de eeuwwisseling of kort
daarna, een eventuele Duivenslagpoort op de plaats van “De Bult” definitief
is gesloopt. De resten kunnen vervolgens zijn bedekt met aarde om vervolgens te
laten begroeien en te begrazen.
Intussen
treft men na deze eeuwenlange Duivenslagperiode op veel boerderijen al de veel
eenvoudiger Tillen op één paal. Boeren in Nederland zagen liever hun eigen
duiven dan die van een ‘over-heid’ hun oogst of zaaigoed plunderen
Vanaf
1854 tot ná 1950 zijn gegevens bijgehouden van ruim 200 duivenmelkers, waaruit
blijkt dat desondanks de provincie Groningen vooral steeds een duivenprovincie bij uitstek is gebleven.
Berekend is dat in Groningen rond 1880 bijna evenveel tillen stonden als in de
rest van Nederland! Er mochten 24.100 paar duiven gehouden worden in 181 tillen.
Uit de lijsten blijkt dat de eigenaars vooral boeren waren naast een handvol
borgheren én nog steeds ook… de
predikanten! Het houden van duiven bleef naast een liefhebberij dus tóch
nog steeds een aardige bijverdienste voor predikant én kerkvoogdij!
Zo blijft de situatie, tot de
wet gewijzigd wordt in 1954. Een nieuwe wet beschouwt de Duivenslag en
zwanendrift niet langer als jachtrechten.
Daarmee verdwijnt
de Duivenslag definitief uit de wet en verdwijnen deze laatste rechten
voorgoed uit onze wetgeving,
en dus ook uit beeld...
Duivenslag
bij de kerk in Marum?
Gezien
de historische tekening uit “Vlijtige armoede en tonnen
Gouds” van J.
en H.J. Boerema, álle bouwkundige overeenkomsten met nog steeds bestaande
identieke poorten, de geïsoleerde ligging van “De Bult” temidden van water
én de sterke historische relaties tussen Kerk en Duivenslag, enz., is mijns inziens een voormalige aanwezigheid van
een (dé getekende) Duivenslagpoort op de plaats van “De Bult” zeer
waarschijnlijk te noemen. Ook
hier kan deskundig en diepgaand archeologisch en archivalisch onderzoek uitkomst
brengen!
*(bijdragen
overgenomen uit “VARIA - DUIVENTORENS
In
België en In
Frankrijk van Catherine
Labouré, patrones van de
duivenliefhebber.)
8.
Een grond ter vermaak
Kaart
Kerk’hof’’ en omgeving anno
1811 - 1832 + kadastrale nummers
Op
de bovenstaande kadastrale kaart is de situatie van 1811 – 1832 weergegeven.
Veel
gronden zijn in bezit van de Pastorij.
De
Kosterij heeft alleen bezittingen in de Markstraat:
-
Kosterij
huis en erf, kadastraal nr. 453
-
Kosterij
school, kadastraal nr. 454
De
Lage Weg, in bezit van de Pastorij-
kadastraal nummer 407- wordt aangegeven met de term ‘weg als weide’. In de
bocht van de Lage weg staat een particuliere woning met boomgaard en weide.
Langs de weg wat nu Noorderringweg
heet, liggen ook weer percelen in bezit van de Pastorij met de kadastrale nrs.
457 t/m 459. De carré rond de kerk, buíten de omgrachting, is opgedeeld in
vier percelen:
-
‘de hof’ vóór de kerk, kadastraal nr. 403 (zie ook de nog aanwezige
omgrachting!)
-
weide ten NO van de kerk kadastraal nr. 408
-
weide ten Westen van de kerk kadastraal nr. 414
-
terrein voor vermaak kadastraal nr.414. Dit is “De Bult”,
nog mét omgrachting!
Ook
deze terreinen rond de kerk zijn in het bezit van de Pastorij. Over dit terrein
als zodanig zijn geen relevante jong-historische gegevens bekend. Ook niet van
de grond ter vermaak, “De Bult”. Voorzitter Berend Kingma deelde mij wel het
feit mede, dat de omgrachting rond “De Bult” bij de aanleg van de óude
rijksweg, Rijksweg 43, rond 1958 is gedempt met aarde uit het Marumer Lage (de
kerkgracht in 1927). Uiteraard zijn er wél de nodige herinneringen en belangrijke
anekdotes bekend bij de (oud) inwoners van Marum West. Ook het kerkarchief kan
nog meer historisch materiaal opleveren. Het is daarom nuttig deze herinneringen
via interviews en kerkarchivalische anekdotes te bundelen. Gezien de omvang van
dit artikel zal ik daar een volgende keer dan ook beslist op terugkomen.
Samenvatting
en conclusies
A.
Een grafheuvel in Marum?
Kan
“De Bult” nu een grafheuvel zijn? De meest noordelijke in onze gemeente zijn
aangetroffen op het Haarsterveld, 3 in totaal. Bij het onderzoek naar de
Stinswierde- mogelijkheid is gebleken dat puin en aardewerkvondsten in “De
Bult” de aanwezigheid van een grafheuvel tegenspreken.
Qua
afmetingen zou er wél een mogelijkheid kúnnen bestaan. Alles op een rij
zettend is “De Bult” door
zijn
geïsoleerde noordelijke ligging én door aanwezigheid van puin en
aardewerkresten mijns inziens geen grafheuvel (om van een galgenberg e.d. maar
niet te spreken), wat niet wegneemt dat, ook gezien mijn volgend hoofdstuk,
archeologisch onderzoek in de diepste lagen tóch niet iets in deze richting zou
kúnnen aantonen…
B.
Een ‘upstalboom’ bij Marum?
“De
Bult” bij Marum kan in oude tijden op dezelfde wijze zijn ontstaan en ook
later op kleinere schaal als vlucht- of vergaderplaats gebruikt zijn als
hierboven beschreven.. Als eventuele grafheuvel komt het zoals al vermeld in
vorm in ieder geval overeen met de grafheuvels in het nabije Friesland en
Drenthe: een oppervlakkige overeenkomst qua uiterlijk, qua inhoud echter niet.
Deskundig
archeologisch onderzoek omtrent de vroegste oorsprong kan meer uitkomst brengen.
C. Een veenterp in Marum?
Voor “De Bult” van Marum
gaat op basis van bovenstaande beschrijvingen mijns inziens de optie voor een
Veenterp niet op. Hiervoor is ons monument onder andere iets te ver verwijderd
van het veen- en drasland van het Oude Diep en de Mienscheer gebieden. De plaats
van “De Bult” ligt ook op een hoger maaiveld. Ten derde komen afmetingen en
hoogten van veenterpen niet overeen met die van “De Bult”. Als laatste laat
de omschreven bewoningshistorie op een veenterp zich moeilijk op “De Bult
situeren. Mijns inziens kunnen we de optie van een Veenterp voor “De Bult”
van Marum laten schieten.
D.
Een toren in Marum?
Over
de vraag of op de plaats van de huidige “Bult” een losse kerktoren heeft
gestaan zoals op veel plaatsen in Friesland en Groningen kunnen we echter kort
zijn. Op basis van alle bekende gegevens ontbreekt elke aanwijzing voor een
losstaande kerktoren. Schip én toren zijn tegelijk rond 1225 n. C. tegen de
Kapel aangebouwd. Tussen 1150 en 1225 n. C. was er natuurlijk geen sprake van de
bouw van nóg een kerktoren op het kerkterrein, dus ook niet op of bij de
“Bult”. Wat de relatie van de
Kerk met het omgrachte terrein dan wél is geweest…? Is er tegelijk wel een ánder
bouwwerk neergezet? In een
volgend artikel ga ik op het gegeven van deze directe relatie door. Dit is
echter van een dergelijke omvang dat het niet past in deze uitgave. Ik heb mij
voorlopig dus beperkt in het aantal alternatieven.
F.
Een spieker in Marum?
1e.
Marum is één van de oudste nederzettingen in Vredewold. Het is daarom niet
ondenkbaar dat al in de prehistorie de allereerste bewoners langs het Oude Diep
bij Marum een verhoging hebben opgeworpen om daarop hun producten in een houten
Spieker te bewaren. De archeologie toont aan dat dit op grote schaal in het
noorden en oosten van ons land zo gebeurde…
2e.
Vervolgens kent Marum een duidelijke Kerkelijke historie in haar
ontstaansgeschiedenis. Marum heeft een van de oudste kerken van de provincie!
Deze kerk was eerst een Kapel. Zoals beschreven, werd hier vaak een Uithof met
Tiendenschuur aan gekoppeld.
Kerk
en klooster organiseerden en voerden ontginningswerken uit.
De
bijbehorende tienden, in natura geheven, werden opgeslagen in deze
Tiendenschuur, liefst gebouwd op een (droge en veilige) verhoging in het
landschap, eventueel omgeven door een gracht. Na de godsdienstwisseling in de
80-jarige oorlog verloor de spieker uiteindelijk zijn doel en draagvlak in de
gemeenschap.
3. Samengevat is het niet
ondenkbaar dat vanaf de late prehistorie tot ín de Middeleeuwen ook in Marum
eerst een houten Spieker en later een Tiendenschuur kan hebben gestaan op één
en dezelfde verhoging in het landschap. Archeologisch onderzoek moet hier
duidelijkheid geven.
G.
Een Stinswier bij Marum?
1e.
In dit verband doet “De Bult” vóór de Romaanse kerk te Marum op een
voorheen omgracht terrein sterk denken aan de vorige beschrijvingen. De situatie
als bij Marum wordt ook nu nog bijna exact aangetroffen bij Rauwerd in
Friesland. Hier ligt een ‘Hege Wier’ ook aan de rand van een oud (State)
terrein mét een toegangspoort.
In
Marum ligt “De Bult” ook aan de rand van het vroegere Kerkterrein met, zoals
we in de volgende aflevering zullen zien, óók een toegangspoort.
Heeft
hier vroeger op de plaats van “De Bult” een Stins op een ‘Hege Wier’ met
omgrachting gestaan?
2e.
In Marum staan volgens een tekening uit 1672 achter een poort, de kerk met
daarnaast een hoge gevel van een stenen woonhuis. Heeft hier bij de kerk
eventueel een Stins gestaan óf is dit poortgebouw de opvolger van een oudere
Stins op de Bult? De poort kan men op de tekening namelijk óók situeren op de
“De Bult”.
En
moest ook deze Stins, waar hij dan ook ooit stond, ten tijde van de 80 jarige
oorlog om haar strategische ligging worden afgebroken, om niet vanuit de Spaanse
stad Groningen bij de Staatse Schans van Frieschepalen in de rug te kunnen
worden aangevallen?
Op
de plaats van “De Bult” is in1988 bij een onderzoek door amateur archeologen
in ieder geval wél Middeleeuws aardewerk en puin verzameld!
Op
de nu niet meer aanwezige poort in Marum, bekend van een tekening uit 1672 kom
ik terug.
3e.
Verkeersgeografisch gezien komt de ligging van een ‘Hege Wier ’ te Marum
overeen met die van Stinswieren
elders: vaak gelegen aan doorgaande wegen en (niet onbelangrijk!) aan doorgaande
handelsvaartroutes! Contacten over langere afstand
gingen destijds veel over water. Juist de rivieren waren belangrijke
verkeerswegen in de Middeleeuwen. Contacten met andere gebieden en landen werden
voornamelijk onderhouden door varende handelaars. Het toentertijd op 200
meter afstand liggende en zéker bevaarbare Olde Diep was via de Matsloot, de
Gave én het oude Aduarderdiep de verbinding met het belangrijke Aduard en via
de stad Groningen de handelsverbinding naar open zee!
Vergelijkbaar
hiermee is de Wobbinga Stinswier onder Sneek: de Jorwerder Vaart ligt ook hier
op 200 meter afstand. Ook hier was deze rivier de vroegere handelsroute naar óf
de Zuiderzee en via Leeuwarden ook naar open zee!
4e.
Vaak ook liggen/lagen de Stinswieren vlak bij de zg.’stemhebbende
boerenplaatsen’ van belangrijke ingezetenen.
Onderzoek
hiernaar wijst uit dat nagenoeg álle oudere plaatsen in zowel Vredewold als
Langewold (van Lutjegast tot in Oostwold) één en vaak méér stemhebbende
versterkte boerderijen dan wel Stinsen hebben bezeten.
Dat
het zeer oude centrum van Marum(-West) met waarschijnlijk de oudste kerk uit de
provincie mét nog een kloosterplaats & alle bijbehorende landerijen van
2000 ha. als enige kern júist geen enkele Stins of Zathe bezeten zou hebben
doet zeer onwaarschijnlijk aan (Wijma Heerd?). Het is daarom mijns inziens
zinvol een nog niet officieel beschermde eventuele ‘Hege Wier’ als die van
Marum, door wérkelijk deskundigen uitgebreid te laten onderzoeken.
H.
Een Duivenslagpoort bij de Kerk?
Gezien
de historische tekening uit “Vlijtige armoede en tonnen Gouds” van J.
en H.J. Boerema, álle bouwkundige overeenkomsten met nog steeds bestaande
identieke poorten, de geïsoleerde ligging van “De Bult” temidden van water
én de sterke historische relaties tussen kerken en Duivenslag, enz., is mijns
inziens een voormalige aanwezigheid van een (dé getekende) Duivenslagpoort op
de plaats van “De Bult” zeer waarschijnlijk te noemen.
Ook
hier moet deskundig en diepgaand archeologisch en kerk - archivalisch onderzoek
uitkomst brengen!
I.
Grond ter vermaak?
Langs
de weg wat nu Noorderringweg heet, liggen ook weer percelen in bezit van de
Pastorij met de kadastrale nrs. 457 t/m 459. De carré rond de kerk, buíten de
omgrachting, is opgedeeld in vier percelen:
-
‘de hof’ vóór de kerk, kadastraal nr. 403 (zie ook de nog aanwezige
omgrachting)
-
weide ten NO van de kerk kadastraal nr. 408
-
weide ten Westen van de kerk kadastraal nr. 414
-
terrein ter vermaak kadastraal nr.414.
Over
deze terreinen als zodanig zijn geen relevante historische gegevens bekend. Dus
ook niet van de grond ter vermaak, “De Bult”.
De
omgrachting rond “De Bult” is bij de aanleg van de óude rijksweg, Rijksweg
43, rond 1958 gedempt met aarde uit het Marumer Lage (de kerkgracht in 1927).
Uiteraard
zijn er wél de nodige herinneringen en belangrijke anekdotes bekend bij de
(oud) inwoners van Marum West. Ook het kerkarchief kan nog meer historisch
materiaal opleveren.
Momenteel
zijn er dus geen aanwijzingen dat “de Bult” specifiek als grond ter vermaak
is aangelegd.
Koos
Vos